• Skip to main content
  • Skip to primary sidebar

APCG

Arnhems platform chronisch zieken en gehandicapten

  • Home
  • Over Apcg
  • Agenda
  • Nieuws
  • Links
Lees voor
Je bent nu hier: Home • Discriminatieklacht busvervoer Arnhem Nijmegen 2026

Discriminatieklacht busvervoer Arnhem Nijmegen 2026

Discriminatieklacht bij Provincie Gelderland over busconcessie 2026-2036 Arnhem, Nijmegen, Foodvalley

Geachte leden van Gedeputeerde Staten,

Wij hebben u eerder benaderd over de achteruitgang van de toegankelijkheid in de busconcessie ANF 2026-2036.
Met deze brief dienen wij namens ZRCN, SGO en Apcg een officiële klacht in over de wijze waarop de Provincie Gelderland de nieuwe concessie voor het openbaar busvervoer heeft voorbereid, tot stand gebracht en gecommuniceerd. Dit is een klacht zoals bedoeld in titel 9 in de Algemene Wet Bestuursrecht.

Sinds de ingang van de nieuwe concessie ontvangen wij signalen over een daadwerkelijke achteruitgang toegankelijkheid van de nieuwe bussen.
Deze signalen geven aanleiding tot ernstige vragen over de voorbereiding van deze concessie en de gevolgen daarvan voor mensen met een beperking.

Deze klacht gaan over de volgende punten:

  1. Onvoldoende rekening houden met de gevolgen van de concessie voor mensen met een beperking
  2. Onvoldoende onderzoek naar de bestaande toegankelijkheid
  3. Niet werken conform ‘Niets over ons, zonder ons’
  4. Handelwijze en uitlatingen van Gedeputeerde Staten

Hieronder lichten we de klachtenonderdelen toe:

1. Onvoldoende rekening houden met de gevolgen van de concessie voor mensen met een beperking

Busvervoer is voor veel mensen met een beperking de belangrijkste (of zelfs enige) vorm van zelfstandige mobiliteit (voor grotere afstanden). Dat maakt dat toegankelijkheid een zeer belangrijke paragraaf dient te zijn in de concessie. In de huidige concessie is de paragraaf toegankelijkheid veel beperkter dan in de vorige concessie. Signalen van reizigers laten zien dat dit ook in de praktijk heeft geleid tot een achteruitgang van de toegankelijkheid van de nieuwe bussen. De grootste gesignaleerde achteruitgang is het halveren van de zitplaatsen voor mensen die gebruik maken van een rolstoel. Echter zien we ook dat ook voor mensen die moeilijker lopen (dus ook ouderen), mensen die reizen met een assistentiehond en mensen met een visuele beperking is verslechterd.

Op basis van de ervaring van diverse reizigers hebben we een overzicht van alle verslechteringen in beeld gebracht.

Deze zijn te lezen in bijlage 1.

Wij verzoeken Gedeputeerde Staten om in de reactie op onze klacht in elk geval in te gaan op de volgende punten:

  • Hoe heeft de provincie deze gevolgen vooraf onderkend en onderzocht?
  • Hoe heeft zij de gevolgen voor zelfstandigheid en toegankelijkheid meegewogen?
  • Waarom is achteruitgang toegestaan?

2. Onvoldoende onderzoek naar de bestaande toegankelijkheid

Bij het vergelijken van de toegankelijkheidsparagraaf van de concessies uit 2010 (bijlage 4) en 2013 (bijlage 4) wordt direct duidelijk dat in de vorige concessies ruimere eisen zijn opgenomen voor toegankelijkheid. Zowel over de inrichting van de bussen, als over de samenwerking met belangenorganisaties om de dienstverlening door de vervoerder te monitoren. In bijlage 2 hebben wij een vergelijk van de concessies uiteengezet.

In de beantwoording van de Statenvragen PS2026-760 en PS2026-753 geeft Gedeputeerde Staten aan dat in andere regio’s slechts één rolstoelplek is gevraagd en dat besloten is de concessies voor Gelderland gelijk te trekken.

Dit gaat voorbij aan het standstillbeginsel wat geldt na ratificatie van een VN-verdrag. Sinds 2016 mag de positie van mensen met een beperking in Nederland niet verslechteren. De vorige concessie was van 2013, ruim voor de ratificatie van het VN-verdrag Handicap.

Wanneer Gedeputeerde Staten voor heel Gelderland dezelfde toegankelijkheidseisen wil opnemen in concessies, juichen wij dit van harte toe. Maar wel met in achtneming van het standstillbeginsel, dus dat wil zeggen dat de toegankelijkheidseisen uit de concessie Arnhem Nijmegen 2013-2023 dan als minimum voor alle concessies gelden.

Gezien het feit dat de Provincie gehouden is aan het standstillbeginsel, verzoeken wij Gedeputeerde Staten in reactie op onze klacht  in te gaan op de volgende punten:

  • Hoe is de toegankelijkheid in de bestaande situatie onderzocht (zowel in praktijk als op papier)?
  • Op welke manier zijn ervaringen van reizigers met een beperking meegenomen bij de totstandkoming van de concessie?

3. Niet werken volgens ‘Niets over ons, zonder ons’ uitgangspunt VN-verdrag Handicap

Bij de totstandkoming van de concessie ANF 2026-2036 zijn de belangenorganisaties in de regio niet betrokken. Terwijl deze organisaties een historie hebben van betrokkenheid bij het OV en daardoor ook een grote hoeveelheid kennis en ervaring.

Het betrekken van mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties is niet vrijblijvend, maar één van de belangrijkste uitgangspunten van het VN-verdrag Handicap wat Nederland in 2016 heeft geratificeerd.

De provincie geeft aan dat zij het ROCOV betrokken hebben en dat hier ook mensen met een beperking zitting hebben.

Het ROCOV is een organisatie die de opdracht heeft om de belangen van alle reizigers te behartigen. Het is belangrijk dat in het ROCOV mensen met een beperking zitting hebben, aangezien zij behoren tot de gehele reizigersgroep.

Echter, het ROCOV maakt een weging van brede belangen en is geen vertegenwoordigende organisatie van mensen met een beperking. Zodoende voldoet de provincie niet aan het “Niets over ons, zonder ons” uitgangspunt van het VN-verdrag Handicap.

Daarbij vinden we het belangrijk om te benoemen dat collectieve belangenorganisaties met een lange historie van belangenbehartiging, zoals de organisaties in deze regio, getraind zijn om de belangen van de diversiteit van hun achterban mee te nemen. Dit is niet iets wat van ieder individu met een beperking kan worden verwacht.

Aangezien Gedeputeerde Staten aangeeft via het ROCOV ervaringsdeskundigen te hebben betrokken, willen wij graag inzicht in de volgende zaken:

  • Welke vragen over toegankelijkheid zijn aan het ROCOV gesteld?
  • Hoe is het advies over toegankelijkheid specifiek aan de mensen met een beperking binnen het ROCOV gevraagd?

4. Handelwijze en uitlatingen van Gedeputeerde Staten

Tijdens de vergadering van 7 juli 2026 is door Gedeputeerde Staten aangegeven dat de noodkreet van belangenorganisaties onterecht was, omdat er slechts 1 officiële rolstoelplek was. Deze uitspraak is in de media herhaald.

Wij zijn van oordeel dat dit een misleidende en onjuiste voorstelling van zaken is. Gezien de concessie eis uit 2010 en 2013 dat er plek moest zijn voor 2 mensen in een handbewogen rolstoel had Gedeputeerde Staten op de hoogte moeten zijn dat er sprake is van een halvering van de plekken.

De suggestie dat belangenorganisaties onterecht aan de bel trokken, heeft invloed gehad op het indienen van een motie om de ontstane situatie te herstellen.

In de media en bij de beantwoording van eerder genoemde Statenvragen wordt gesteld dat de toegankelijkheid van de bussen is verbeterd. Daarbij wordt niet in gegaan op de uitgebreide opsomming van geconstateerde verslechtering (bijlage 1) en alle ervaringen die mensen hebben gedeeld.

Het is niet aan mensen zonder beperking om te bepalen hoe toegankelijk voertuigen zijn. De duidelijke signalen en ervaringen die mensen delen als onjuist of irrelevant wegzetten is kwetsend en vernederend.

Wij hebben deze zaken op een rij gezet om te onderbouwen dat de Provincie mensen met een beperking ongelijk en nadelig behandeld, dat dit leidt tot discriminatie en in strijd is met artikel 1 van de grondwet en met het VN-verdrag Handicap. Wij verwachten dan ook dat de situatie wordt hersteld en er bussen komen die minimaal zo toegankelijk zijn als in de situatie voor 28 juni 2026.

Wij benadrukken dat dit geen informatie verzoek is, maar een formele klacht. Gelet op de urgentie en de directe gevolgen voor mensen met een beperking verzoeken wij u de klacht met spoed te behandelen en binnen 10 werkdagen met een formele reactie te komen.

Wij zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Marjolein van den Broek, voorzitter Apcg         

Jos Kersten, directeur Zelfregiecentrum Nijmegen

Rachida Stroet, voorzitter SGO

Bijlage 1 Achteruitgang in de toegankelijkheid stadsbussen

Op 28 juni 2026 is de nieuwe concessie voor het busvervoer in de regio Arnhem-Nijmegen-Food Valley ingegaan.

In het voortraject van deze concessie zijn de belangenorganisaties uit de regio niet betrokken geweest. Niet door de provincie en ook niet vanuit het Rocov. Dat is in strijd met het VN-verdrag Handicap, wat stelt dat mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties betrokken moeten worden bij beleid wat over hen gaat.

Bij het ingaan van de nieuwe concessie blijkt voor de regio Arnhem Nijmegen dat de toegankelijkheid van de stadsbussen op diverse punten is verslechterd. Hierover komen sinds het rijden van de nieuwe bussen dan ook signalen binnen bij de belangenorganisaties in de regio.

Om een volledige vergelijking te maken is een vergelijkende schouw van de oude en verschillende type nieuwe bussen nodig. Op basis van het gebruik van de nieuwe bussen stellen wij in elk geval vast dat de toegankelijkheid is verslechterd op de volgende punten:

Halvering rolstoelplekken

In de (niet gelede)stadsbussen waren tijdens de vorige concessie (sinds 2013) twee rolstoelplekken. Beide duidelijk gemarkeerd, voorzien van gordel, stopknop en beugel.

De twee gemarkeerde rolstoelplekken in oude bus.
De overgebleven rolstoelplek in nieuwe bus.

In de nieuwe stadsbussen is nog slechts één rolstoelplek en ook geen andere plek voor reizigers met kinderwagen of rollator.

Vermindering zitplaatsen zonder opstap

In de oude (niet gelede)stadsbussen waren afhankelijk van het type bus 10 tot 12 zitplaatsen zonder opstap, met ruimte onder de stoel voor een assistentiehond of bagage. In de nieuwe bussen zijn nog slechts 8 lage stoelen met ruimte onder stoel.

Stoelen met een opstap zijn niet voor iedereen toegankelijk. Mensen met een fysieke beperking kunnen niet altijd zo’n stap maken.

Daarnaast is er geen plek onder die stoelen voor een assistentiehond.

Incheck bij instappen op verschillende plekken

In de oude bussen was één van de incheckplekken bij de instap aan de voorzijde op een standaard plek. In de nieuwe bussen is nog één plek die in verschillende type bussen op andere locaties zit. Wanneer je niet (goed) kunt zien kun je hierdoor niet zonder hulp inchecken.

Contrast stopknoppen

In die nieuwe bussen zijn USB laadpunten toegevoegd. Dat kan natuurlijk handig zijn voor reizigers, zeker wanneer ze langer in de bus zitten. Echter, deze oplaadpunten en de stopknoppen bij de lage stoelen zijn niet goed van elkaar te onderscheiden wanneer je niet (goed) kunt zien. Daardoor kunnen mensen met een visuele beperking de stopknop bij deze zitplaatsen niet meer goed vinden.

Slechtere zichtbaarheid lijnnummers

Er zijn verschillende manieren waarop de lijnnummers worden weergegeven op de nieuwe bussen. Dit verschilt per type bus (niet per lijnnummer) en is in de meeste gevallen slechter leesbaar dan bij de oude bussen.

Verlichting in de bus

Verlichtingsniveau is niet altijd toereikend, waardoor het te donker is voor goede oriëntatie in de bus wanneer je een visuele beperking hebt.

Er wordt gebruik gemaakt van gekleurde verlichting, dit voegt prikkels toe, zonder dat de kleur een functie lijkt te hebben.

Bij het openen en sluiten van de deuren is in een deel van de bussen zeer felle knipperende verlichting. Deze verlichting is verblindend en maakt het zelfstandig uitstappen lastiger als je door je beperking gevoelig bent voor verlichting. Voor mensen met epilepsie kan dit zelfs gevaarlijk zijn. De verlichting is zo fel dat ook op de stoelen naast de deur dit een verblindend effect heeft.

Gedrag chauffeurs

Er komen diverse signalen binnen over chauffeurs die wegrijden voor mensen hebben plaatsgenomen, niet goed halteren, geen Nederlands spreken etc.

Bijlage 2 Vergelijking met eerdere concessies voor regio Arnhem Nijmegen

Er is dus duidelijk sprake van een achteruitgang van de toegankelijkheid in vergelijking met de concessie voor de Regio Arnhem Nijmegen 2013-2023.
Dat blijkt ook uit de teksten van deze concessie en die van 2010.
Daarin staat onder andere:

In de voertuigen dient er ruimte te zijn voor minimaal twee uitgeklapte buggy’s of één elektrische rolstoelwagen (ca 0,90 X ca. 2,00 m) of twee handbewogen rolstoelen;

Er wordt hier dus inderdaad gesproken over 2 handbewogen rolstoelen. Terwijl in de concessie van 2026 nog maar 1 (elektrische) rolstoelplek is opgenomen, met krappere afmetingen 0.7×1.20m.

Een ander belangrijk punt uit de concessie van 2013 is:
In haar participatieplan beschrijft de inschrijver hoe hij zijn personeel zo opleidt en traint, dat deze reizigers met een functiebeperking goed kunnen assisteren en hoe belangenorganisaties daarbij betrokken worden. Aan bod komen onder meer maar niet uitsluitend: aanrijden haltes, assisteren bij uitschuifplank, helpen met vastzetten rolstoelen, wachten met wegrijden tot mensen hebben plaatsgenomen, bejegening van en communicatie met mensen met een beperking.

De toegankelijkheidsparagraaf van de vorige concessie(s) is duidelijk uitgebreider dan de huidige concessie. Er wordt ook expliciet over plek voor 2 (handbewogen) rolstoelen gesproken. Dit laat zien dat er niet alleen in de praktijk, maar ook op papier een duidelijke achteruitgang in de toegankelijkheid is.

Zo’n achteruitgang is in strijd met het standstillbeginsel wat geldt na het ratificeren van een VN-verdrag. Volgens dit beginsel mag de positie van mensen over wie het verdrag gaat (in dit geval mensen met een beperking) niet verder verslechteren.

In het webinar van de VNG over VN-verdrag Handicap wordt het voorbeeld van de halvering van de rolstoelplekken in bussen door het college van de rechten van de mens als voorbeeld genoemd van een wijziging die in strijd is met dit standstillbeginsel.

Bijlage 3 Concessie Arnhem-Nijmegen 2010 (pag. 13, 14)
5.8 Toegankelijkheid

  1. De door de concessiehouder in te zetten voertuigen dienen, met inachtneming van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, toegankelijk te zijn voor mensen een handicap of chronische ziekte.
  2. De door de concessiehouder in te zetten bussen dienen te beschikken over een lage vloer.
  3. De in het tweede lid bedoelde bussen met een lage vloer moeten voldoen aan de regels die het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan toegankelijkheid stelt, waaronder, maar niet beperkt tot de navolgende regels:
  4. In de voertuigen dient er ruimte te zijn voor minimaal twee uitgeklapte buggy’s of één elektrische rolstoelwagen (ca 0,90 X ca. 2,00 m) of twee handbewogen rolstoelen;
  5. Het voertuig heeft een geheel vlakke vloer van tenminste de instappartij tot en met de eerste uitstapdeur. Door middel van een knielrichting dient de in- en uitstaphoogte gereduceerd te kunnen worden tot 23 cm;
  6. Het voertuig heeft een uitklapbare rolstoelplank;
  7. De kinderwagens en/of rolstoelwagens dienen tijdens de rit te kunnen worden vastgezet. Passagiers die gebruik maken van een zitplaats mogen geen hinder ondervinden van kinderwagens en/of rolstoelen;
  8. Rolstoelplaatsen moeten voldoen aan de wettelijke eisen en normen uit CROW publicatie 23;
  9. In de voertuigen dient ruimte te zijn voor de meegenomen bagage;
  10. De maat tussen geopende deuren bedraagt minimaal 1.200 mm. Indien dit technisch noodzakelijk is, mag de maat tussen de geopende deuren bij de eerste deur minimaal 900 mm bedragen;
  11. In de door de concessiehouder in te zetten voertuigen dient op de daarvoor meest geschikte plek een plek gereserveerd te zijn voor mindervalide reizigers. Deze dient zichtbaar gemaakt te zijn door middel van een goed zichtbare sticker.

Bijlage 4 Concessie Arnhem-Nijmegen 2013-2023 (pag. 118, 119)
Toegankelijkheid

C.5.32 De door de concessiehouder in te zetten voertuigen dienen, met inachtneming van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, toegankelijk te zijn voor mensen een handicap of chronische ziekte.

C.5.33 Alle bussen met een lage vloer moeten voldoen aan de regels die het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan toegankelijkheid stelt, waaronder, maar niet beperkt tot de navolgende regels:

• In de voertuigen dient er ruimte te zijn voor minimaal twee uitgeklapte buggy’s of één elektrische rolstoelwagen (ca 0,90 X ca. 2,00 m) of twee handbewogen rolstoelen;

• Het voertuig heeft een geheel vlakke vloer van tenminste de instappartij tot en met de eerste uitstapdeur. Door middel van een knielrichting dient de in- en uitstaphoogte gereduceerd te kunnen worden tot 28 cm;

• Het voertuig heeft een goed werkende elektrische rolstoelplank die door zowel gebruiker als chauffeur bediend kunnen worden;

• De kinderwagens en/of rolstoelwagens dienen tijdens de rit te kunnen worden vastgezet. Passagiers die gebruik maken van een zitplaats mogen geen hinder ondervinden van kinderwagens en/of rolstoelen;

• Rolstoelplaatsen moeten voldoen aan de wettelijke eisen en normen uit CROW publicatie 23;

• In de voertuigen dient ruimte te zijn voor de meegenomen bagage;

• De maat tussen geopende deuren bedraagt minimaal 1.200 mm. Indien dit technisch noodzakelijk is, mag de maat tussen de geopende deuren bij de eerste deur minimaal 900 mm bedragen;

• In de door de concessiehouder in te zetten voertuigen dient op de daarvoor meest geschikte plek vier zitplaatsen gereserveerd te zijn voor mindervalide reizigers. Deze dient zichtbaar gemaakt te zijn door middel van een goed zichtbare sticker en / of afwijkende stoelkleur.

C.5.34 De door de concessiehouder in te zetten auto’s (inclusief buurtbussen) dienen te beschikken over een lage vloer op een dusdanige hoogte dat een rolstoelgebruiker vanaf een verhoogd busperron zonder assistentie de bus in en uit kan gaan. Deze voertuigen zijn ook voorzien van een elektrische rolstoelplank, ruimte voor één handbediende rolstoel en minimaal één zitplaats voor mindervalide reizigers.

C.5.35 Voorzieningen in de voertuigen, waaronder (maar niet uitsluitend) stopknoppen en alle OV-chipkaartapparatuur, waaronder de CiCo-apparatuur, dient bereikbaar en werkbaar te zijn voor mensen met een functiebeperking, waaronder rolstoelgebruikers en mensen met een zintuiglijke beperking.

C.5.36 Stastangen in alle voertuigen dienen een contrasterende kleur te hebben.

C.5.37 Reizigers met een functiebeperking mogen niet op grond van deze functiebeperking in de bus geweigerd worden. Dit betekent onder meer dat gebruikers van zowel handbediende als elektrische rolstoelen mee mogen met de bus en dat hulphonden worden toegelaten. De concessiehouder neemt dit op in haar reisregels en communiceert dit actief.

NB: scootmobielen hoeven niet toegelaten te worden.

C.5.38 In haar participatieplan beschrijft de inschrijver hoe hij zijn personeel zo opleidt en traint, dat deze reizigers met een functiebeperking goed kunnen assisteren en hoe belangenorganisaties daarbij betrokken worden. Aan bod komen ondermeer maar niet uitsluitend: aanrijden haltes, assisteren bij uitschuifplank, helpen met vastzetten rolstoelen, wachten met wegrijden tot mensen hebben plaatsgenomen, bejegening van en communicatie met mensen met een beperking.

Primary Sidebar

© 2026 APCG · In de Weerd · Weerdjesstraat 168 · 6811 JH · Arnhem · (0)26 389 44 88 · info@apcg.nl

APCG is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies. Wij maken gebruik van functionele cookies en cookies voor het beheer van webstatistieken. Het zijn noodzakelijke cookies die er voor zorgen dat de website naar behoren functioneert. De cookies bewaren geen persoonsgegevens en zijn dus niet aan een individu te koppelen.Ok